Geschiedenis

van de Geërfden van Velp

Al in de Middeleeuwen was er in Velp sprake van een gezamenlijk gebruik en beheer van de woeste gronden (bos, heide, moeras, grasland) door de boerengemeenschap. De heide werd geplagd en begraasd. Het plagsel werd gebruikt voor de stallen en later met de mest vermengd als bemesting voor de akkers.

Deze gemeenschappen vormden een eigen dorpsbestuur: de buurschap (ook: boerschap). In delen van de huidige provincies Drenthe, Overijssel en Gelderland ontwikkelden zich hieruit ‘marken’. De gebruiksrechten op de gemeenschappelijk grond in een buurschap en een marke was gekoppeld aan het eigen bezit: het erf. Daar komt dus het begrip ‘geërfde’ vandaan.

In Velp was geen sprake van een marke, althans: er is nooit een markeboek aangetroffen waaruit dat onomstotelijk bleek. Maar vanaf 1795 zijn er wel notulen in de vorm van zgn. boerboeken van de Geërfden, die gewoonlijk éénmaal per jaar bijeen kwamen en in vergadering besloten in welk delen van het bos bomen gekapt zouden worden, waar men zou beginnen met maaien van heide voor in de potstal, van gras voor het vee en welke dijken, wegen, bruggen en sluizen moesten worden gecontroleerd.

De Geërfden kennen een roerig verleden waarin zij vaak hun eigen belangen moesten verdedigen. Maar het is ook een gezelschap dat steeds meer blijk gaf van zijn sociale verplichtingen ten aanzien van de gehele Velpse gemeenschap.